Geld verdienen aan de Afrikaanse boer

DSC_4155De westerse hightech-landbouw moet flink opschalen om de groeiende wereldbevolking te voeden. Dit dogma lijkt te verdwijnen. Zowel Dijksma, Ploumen, als Ciolos en zelfs Clinton zijn het er over eens: we moeten juist inzetten op de kleine boer in Afrika. En jawel, daarmee is voor ons wel degelijk nog geld te verdienen.

Rabotopman Piet Moerland stelde eerder al dat Afrika een groeipotentieel kent van 80 procent. Voor de Nederlandse landbouwsector valt er op dat continent dus veel winst te behalen. Om die reden was staatssecretaris Sharon Dijksma onlangs in New York. Samen met niemand minder dan Bill Clinton gaat ze zich inspannen voor het verbeteren van de voedselproductie in Afrika.
Beiden stoppen ze 3 miljoen dollar in een potje, ofwel 2,4 miljoen euro. Zowel het Nederlandse ministerie van Economische Zaken als de Clinton Foundation. Ook de Wereldbank heeft beloofd substantieel bij te dragen.
De gezamenlijke inspanningen staan in het teken van Climate Smart Agriculture. Dit thema omvat meer dan de naam doet vermoeden. Behalve het tegengaan van de effecten van klimaatverandering moeten alle projecten onder deze vlag bijdragen aan de voedselzekerheid. En wel op zo’n manier dat het de productie verhoogt van met name kleine boeren en de economie op het platteland versterkt.

Blinde paniek
De politiek heeft de kleine boer in Afrika ontdekt. Dat is nieuw. Tot een jaar terug gold nog het adagium dat voedselproductie zo grootschalig mogelijk en vrijwel eenzijdig vanuit het rijke westen verhoogd moest worden. De boer in het westen zou de armen in ontwikkelingslanden aan het eten moeten houden.
De nood is hoog. Want tegen 2050 moeten er 2 miljard monden méér gevoed worden dan nu. Inmiddels hebben de VN deze prognoses weer aangescherpt. Van de huidige 7,2 miljard aardbolbewoners gaan we niet naar 9 miljard, maar zelfs naar 9,6 miljard in 2050. In 2100 zijn we met maar liefst 10,9 miljard.
Ondanks deze meedogenloze cijfers lijkt de blinde paniek een beetje weg te ebben. De politiek raakt langzaam af van de idee dat Europa en Amerika de wereld moeten voeden. Voedsel moet niet per se daar verbouwd worden waar dat het goedkoopst kan, maar juist op de plek waar de vraag is.
In Afrika dus. Een continent waar tegen 2050 de bevolking is verdubbeld van 1,1 miljard naar 2,4 miljard in 2050. En in 2100 vindt volgens de nieuwste VN-berekeningen de volgende verdubbeling plaats: tot 4,2 miljard. Over meedogenloze cijfers gesproken.
De verstedelijking, de bevolkingsgroei, maar ook de economie en de middenklasse nemen een razende vlucht in Afrika. Het aantal consumenten stijgt exponentieel. En met 20 procent van ’s werelds vruchtbare landbouwgronden kent Afrika een enorm onbenut potentieel.

Open armen
Om de banden met de zuiderburen aan te halen organiseerde de EU begin dit jaar maar liefst twee conferenties over ondernemen in Afrika. Zowel in Brussel als in Addis Abeba, hoofdstad van Ethiopië. Want er is Europa alles aan gelegen om bij de ontwikkeling van de landbouw op het Afrikaanse continent betrokken te zijn.
Afrikaanse leiders grepen de conferentie aan om Europese ondernemers, en dan vooral investeerders, met open armen te ontvangen.
In tegenstelling to China, dat vooral uit is op goedkope grondstoffen en voedsel voor het eigen gewin, speelt Europa tegelijkertijd een belangrijke rol in de armoedebestrijding in Afrika. Het is daarom dat Ciolos benadrukte hoe belangrijk het is juist de kleine boeren binnenboord te houden.
De kleine boer en de aanverwante bedrijvigheid op het platteland spelen een grote rol in de Europese visie op armoedebestrijding. Het alternatief is immers verstedelijking: de groeiende sloppenwijken zijn het grootste probleem als het gaat om armoede en veiligheid.
De trek naar de stad is nergens zo dramatisch als in Afrika. In de stad valt immers weinig werk te vinden. De industrialisering is aan dit continent voorbij gegaan; de landbouw is er dus nog steeds een van de belangrijkste werkverschaffers.
En het is bij uitstek de Europese agrarische sector met zijn coöperatieve geschiedenis, die met respect voor die kleine boeren grote winsten kan boeken, stelt Ciolos. Met productieverhoging, met het opzetten van logistieke processen, kredietfaciliteiten, marketingsystemen en productverwerking.

Hulp en handel
01Ploumen+MwongeraGeld verdienen aan kleine Afrikaanse boeren is dus geen probleem, zo lang zij er ook beter van worden. Het ministerie van Ontwikkelingssamenwerking heeft dit inmiddels al begrepen. Sinds het aantreden van het huidige bezuinigingskabinet heet dit het Ministerie van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking. Het was een hevig debat binnen het ontwikkelingswereldje, maar de visie van het ministerie is overeind gebleven: hulp en handel gaan prima samen.
“Lokale boeren hebben de afgelopen jaren op miljoenen hectaren weinig productieve grond met lokale technieken hun productie weten te verhogen”, sprak de verantwoordelijke minister Lilianne Ploumen enkele weken geleden. Maar dit kan nog veel beter. Dus gaat Ploumen 40 miljoen spenderen aan oplossingen voor de hongersnood in de Sahel en de Hoorn van Afrika.
Deze rijkssteun gaat daarom naar het World Agroforestry Center dat investeert in onder meer betere landbouwtechnieken, toegang tot markten en versterking van de lokale economie. Maar haar ministerie heeft niet voor niks Buitenlandse Handel in haar naam staan, dus het Nederlandse bedrijfsleven moet er ook beter van worden.
De technieken worden daarom verbeterd en verrijkt met kennis van onder meer de Vrije Universiteit Amsterdam, Nederlandse bedrijven en lokale non-gouvernementele organisaties.

Strategisch
Daarmee zit het beleid van haar ministerie op één lijn met de buitenlandvisie van het Landbouwdepartement onder het Ministerie van Economische Zaken. De 2,4 miljoen euro die Dijksma aan de landbouwontwikkeling in Afrika spendeert staat helemaal los van het beleid van Ontwikkelingssamenwerking. Al is het bij EZ duidelijk dat niet de hulp, maar de handel voorop staat. “In Afrika gebeurt veel, dus is het strategisch gewoon heel belangrijk om erbij te zijn”, verklaart een woordvoerder van EZ.
Het budget wordt dan ook gespendeerd aan Nederlandse bedrijven en wetenschappers met veel landbouwkennis die samen met lokale boeren bijvoorbeeld teeltmethoden en nieuwe zaden ontwikkelen, waardoor gewassen als tarwe minder water nodig hebben om goed kunnen te groeien. Kleine boeren leren op een slimme, klimaatbestendige manier plant- en gewasziekten kennen, maar ook om voedselverspilling tegen te gaan en een efficiënte logistiek en marketing te ontwikkelen. En zo gaan hulp en handel samen.

© Marc van der Sterren

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *