Nederland rooft meer land dan China en Saudi-Arabië

Nederland staat op nummer 7 van ’s werelds grootste landrovers. Bedrijven en investeerders uit Nederland bezitten oppervlakten zo groot als provincies in Afrikaanse landen. En in Brazilië. Vooral Royal Dutch Shell toont zich een Landgrabber van formaat.

De enorme stijging van de voedselprijzen in 2008 dreef armen de honger in. Het aantal hongerigen piekte tot boven de miljard. Investeerders zagen juist kansen. In een jaar tijd verdubbelde het aantal land-deals in ontwikkelingslanden. De voedselprijzen namen niet af, want de grootschalige landaankopen werden niet alleen ingezet voor voedsel, maar vooral ook voor biobrandstoffen.

Tussen 2000 en 2011 zijn volgens schattingen van het Oakland Institute ruim twee miljoen vierkante kilometer aan grond in ontwikkelingslanden gekocht of geleased door buitenlandse investeerders.

Beschuldigingen

Valt het woord landgrab, dan gaan de beschuldigingen al snel uit naar landen met een grote, maar vooral groeiende en steeds welvarender bevolking, zoals China en Saudi-Arabië. Landen die zelf bovendien nauwelijks over vruchtbare landbouwgrond beschikken.

Deze landen hebben dus wel een excuus. Dit in tegenstelling tot ons land, dat allerminst een land van schaarste is. Als een van de kleinste landjes ter wereld staan we op de tweede plek van landbouwexporteur. Na de VS kent de wereld geen land dat meer exporteert dan Nederland. In 2013 exporteerde Nederland voor 279 miljard aan landbouwproducten.

In het rapport ‘The Great Land Heast’ toonde ontwikkelingsorganisatie ActionAid aan dat Nederland een koppositie heeft weten te behalen op de internationale Landgrab-ranglijst met maar liefst 1,68 miljoen hectare. Da’s meer dan half Nederland. Bekende landgrabbers als Saudi-Arabië en China scoren respectievelijk ‘slechts’ 1,58 en 1,34 miljoen hectare.

Nederland staat daarmee op nummer 7 in de Land Matrix (Zie kader Top 10). Een onafhankelijk digitaal platform dat toezicht houdt op grootschalige landverkopen. Ver bovenaan staan de Verenigde Staten die over bijna 7,1 miljoen hectare buiten het eigen grondgebied beschikken. Ook zij hebben dit niet nodig voor het voeden van de bevolking maar voor hun landbouwexport; ze exporteren immers eens zoveel als Nederland.

Gouden Driehoek

Het gaat landen als Nederland en de VS dus niet in de eerste plaats om het voeden van de eigen bevolking, het gaat om het voeden van de wereldbevolking. Van de huidige 7,2 miljard aardbolbewoners gaan we naar 9,6 miljard in 2050. Dan moeten er dus minstens 3 miljard monden méér gevoed worden dan nu.

Als er iemand doordrongen is van de ernst van die zaak, dan is het wel Nederland met z’n Gouden Driehoek. Wageningen UR is wereldberoemd in de agrarische sector en een groots pleitbezorger van de samenwerking tussen overheid, bedrijfsleven en kennisinstellingen. De Gouden Driehoek heet deze visie.

Het huidige ontwikkelingsbeleid van Lilianne Ploumen sluit naadloos aan bij deze visie. Een visie die vooral grootschalige landbouw en grootschalige buitenlandse interventie in derde landen ziet als de enige manier om de voedselproductie te verhogen en de voedselzekerheid te garanderen.

Een verkeerde aanname, vindt onder meer ActionAid. Onderzoek laat juist zien dat kleinschalige boeren met de juiste training en steun productiever kunnen zijn dan grootschalige landbouwbedrijven.

In haar rapport The Great Land Heist geeft de organisatie aan hoe private investeerders worden verleidt met goedkoop en zelfs gratis land, met goedkope leningen, en genereuze belastingprikkels door regeringen, donoren en internationale organisaties en financiële instellingen als de Wereldbank.

Gunstig belastingklimaat

De grote winnaar van deze ontwikkelingen van de laatste jaren is het bedrijfsleven dat gestimuleerd wordt in ontwikkelende landen te investeren. Dit verklaart voor een deel de koppositie van Nederland in het rijtje Landgrabbers.

Het gunstige belastingklimaat is in het rapport van buiten beschouwing gelaten. Bij Amerikaanse multinationals is ons belastingparadijs inmiddels al populairder dan Bermuda en de Kaaimaneilanden. “Als we die internationale bedrijven er ook nog bij geteld hadden, dan had Nederland nog vele malen hoger gescoord”, meldt Barabara van Paassen, beleidsmedewerker bij ActionAid.

Ook banken zijn in het onderzoek niet meegenomen. Wel staat vast dat behalve een internationale agrarische bank als de Rabobank ook ontwikkelingsbanken een belangrijke rol spelen. Vooral de FMO, de Financierings Maatschappij voor Ontwikkelingslanden waarin de overheid een meerderheidsaandeel heeft. “De FMO financiert nog steeds veel bedrijven die grote maatschappelijke problemen veroorzaken”, weet Van Paassen.

Pakje boter

Het lijkt heel wat, die toppositie van Nederland, maar zonder de Royal Dutch Shell hadden we nog amper een deuk in een pakje boter geslagen. Eerlijk is eerlijk, het is niet puur een Nederland bedrijf, het is een Brits-Nederlandse multinational. Toch geldt het als meest winstgevende bedrijf van Nederland.

Shell profiteert van het gunstige Nederlandse handelsklimaat en neemt in z’n eentje al meer dan de helft van de landgrab in het buitenland voor rekening. Een lap grond zo groot als Noord-Holland, Zuid-Holland en Utrecht samen. Maar dan in Brazilië.

Ja. Brazilië is dat land waaruit we jaarlijks 9 miljoen ton soja importeren, voornamelijk om ons vee te voeren en om vervolgens vlees, melk en eieren te kunnen exporteren. Voor die soja is ruim 3 miljoen hectare grond nodig. Ter vergelijking: Nederland meet 3,7 miljoen hectare.

Dus vanuit dat oogpunt bezien valt die ene miljoen hectare nog wel mee. Toch gaat het nog steeds om 10.000 vierkante kilometer. Ter vergelijking: Vlaanderen is 13.500 vierkante kilometer groot.

Armoedebestrijding

Brazilië is een land met uitgestrekte vlaktes aan amazonewoud en aan goedkope percelen die pas zijn onttrokken aan tropische bossen of de Cerrado, zoals de Zuid-Amerikaanse savanne heet.

Nederlandse bedrijven verbouwen daar teak. Zoals Floresteca. Zij hebben daar de grootste private teakplantage ter wereld, op 37.000 hectare. Laten we zeggen: een kwart van Flevoland. Volgens hun website bestaat bijna de helft uit natuurgebied. En armoedebestrijding staat hoog in het vaandel.

Goed bezig dus. Wat ook geldt voor FIAM NV (Forestry Investment and Asset Management) die geld belegt in duurzame bosbouw. Momenteel in 40.000 hectare. De Nederlandse ‘Landgoederencompagnie’ Forest Returns doet iets vergelijkbaars. Sinds 1997 stellen ze grote bedreigde bosarealen veilig, die, volgens hun eigen website ‘worden bedreigd door de houtmaffia’. Ze hebben reeds 183.000 hectare weten te redden in de Amazone en 7.000 hectare in de staat Bahia.

Groningen, Friesland en Drenthe

Ja, als dat Landgrab is, dan mag Nederland daar wel in voorop lopen, hoor ik u zeggen. Maar die tienduizenden hectare gered bos staan in geen verhouding tot de miljoenen hectaren die zijn aangekocht door Raízen. Omdat rechtstreeks grond kopen voor een buitenlands bedrijf lastig is, werkt Shell in Brazilië samen met Cosan. Die samenwerking is Raízen genoemd.

Raízen produceert jaarlijks zo’n 2 miljard liter ethanol voor de Braziliaanse markt, maar ook voor de export. Ethanol is de brandstof waar de Braziliaanse economie op draait en wordt gewonnen uit suikerriet. Raízen heeft hiervoor in Brazilië in totaal een oppervlakte groter dan Groningen, Friesland en Drenthe in gebruik. Om precies te zijn: 860.000 hectare. Op de tekentafel liggen plannen om dit areaal op te schroeven met de provincie Utrecht tot 1 miljoen hectare.

Aan het begin van dit verhaal zagen we dat Nederland in elk geval 1,68 miljoen hectare grond gebruikt in derde landen. Shell neemt met de activiteiten in Brazilië dus al meer dan de helft uit van het Nederlandse landgrab-aandeel.

Guarani Kaiowá

En Shell heeft minder oog voor natuur en mensenrechten. Sinds 2010 produceerde hun jointventure Raízen illegaal suikerriet in het gebied van het Guarani-Kaiowá-volk.

De chemische middelen die Raízen op de suikerrietplantages gebruikt, zouden meteen vanaf het begin acute diarree veroorzaken bij Guarani-kinderen. Vissen en planten stierven. Voedsel en inheemse medicijnen waren vrijwel onvindbaar, de Guarani leven onder erbarmelijke omstandigheden in overvolle opvangkampen of in wegbermen.

Tientallen mensen die hun voorouderlijk land weer terug wilden nemen, zijn vermoord. De wanhoop onder de Guarani was zo groot dat honderden mannen, vrouwen en zelfs kinderen zelfmoord hebben gepleegd.

Pas na een campagne van Survival International en een aanklacht van het Openbaar Ministerie, heeft Raízen beloofd sinds november 2012 geen suikerriet meer te uit deze inheemse gebieden. Een maandenlang debat tussen stamhoofden, suikerboeren en de Braziliaanse autoriteiten moest daaraan voorafgaan.

Raízen heeft inmiddels een sociaal programma gelanceerd voor de Guarani. Toch werd in december 2013 filmacteur Ambrósio Vilhalva vermoord. Het was deze Guarani-leider die zich veelvuldig en gepassioneerd had uitgesproken tegen de aanplanst van suikerriet door Raízen.

Jatropha

Het is dus vooral Shell die Nederland tot topscorer maakt in de eregalerij van landgrabbers. Maar kijken we naar de grootste toename van landgrab door Nederlandse bedrijven, dan komen we in Afrika terecht. Vooral Mozambique en Liberia worden de laatste jaren kaalgeplukt door Nederlandse bedrijven.

Ook hier gaat het om biobrandstoffen. Geen ethanol, maar Jatropha; een oliehoudend gewas. De zaden, die bestaan uit minimaal 30 procent olie, gaan per schip naar Amsterdam alwaar het wordt omgezet in biodiesel.

De hype begon in 2004. De eindigheid van fossiele brandstoffen begon door te dringen, naarstig werd gezocht naar alternatieven. Zoals biobrandstoffen. Per 2009 zou de EU brandstofleveranciers gaan verplichten 4% biobrandstof bij te mengen in fossiele brandstoffen. Een percentage dat later werd opgetrokken tot de huidige 10%. Een percentage dat binnenkort verlaagt zal worden naar 7%. Niet genoeg vindt Van Paassen van ActionAid, “maar het geeft een signaal af naar bedrijven dat er niet meer in geïnvesteerd hoeft te worden.” Ze heeft er alle hoop op dat tegen 2020 de bijmengplicht volledig van de baan zal zijn.

Jatropha was een gewas die volop aan de duurzaamheidscriteria zou voldoen. Een alternatief voor fossiele brandstoffen en het leverde geen gevaar op voor de voedselvoorziening, want het groeide op arme gronden en zou een uitkomst zijn voor arme boeren.

Maar het gewas maakte z’n beloften niet waar. Op arme, droge gronden produceert de struik nagenoeg niks. Voor voldoende productie heeft het toch meststoffen en water nodig. En als je er dan toch in investeert, kun je beter voedsel verbouwen.

Bovendien blijken overheden grandioze winstern voorgespiegeld te krijgen door westerse consortiums. Maar al te vaak spelen deze bedrijven het klaar grote arealen grond toegewezen te krijgen voor de teelt van dit giftige exotische gewas. Met de belangen van de lokale bevolking en de boeren die de grond in hun bezit hebben, wordt nagenoeg geen rekening gehouden.

Mozambique

Maar dat bleek pas achteraf. Aanvankelijk sprongen ook veel Nederlandse bedrijven bovenop de jatropha-hype. Neem het Dutch Jatropha Consortium (DJC), gevestigd in Lijnden, aan de Zuidas van Amsterdam. Dit bedrijf heeft in Mozambique een plantage van 10.000 hectare en wil dit binnen tien jaar uitbreiden tot 50.000 hectare. Een perceel, groter dan de Noordoostpolder.

De website van het DJC meldt over het Mozambikaanse avontuur echter: ‘Voorwaarde voor het succes van dit project is dat het gepaard gaat met de ontwikkeling van het welzijn van de lokale bevolking’. Voorts noemt het ‘scholing, infrastructuur, watervoorzieningen, gezondheidszorg, economie, ecologisch verantwoord’. Zo wordt er op de grond niet alleen jatropha verbouwd, maar ook voedsel voor de honderden werknemers.

Waarschijnlijk zijn dit ook harde voorwaarden, het bedrijf wordt immers financieel gesteund door de Nederlandse overheid met FMO-gelden. De Nederlandse Financierings Maatschappij voor Ontwikkelingslanden heeft een vooraanstaande positie in verschillende wind- en biobrandstofprojecten in Africa, waaronder het DJC.

ABP

Het Dutch Jatropha Consortium echter slechts een kleintje met haar 50.000 hectare. Het ABP heeft in Mozambique maar liefst 262.000 hectare. Een stuk grond zo groot als Drenthe.

Volgens het Oakland Institute heeft het ABP daarnaast een meerderheidsbelang in het Global Solidarity Forest Fund (GSFF), een Zweeds ethisch investeringsbedrijf met een focus op de bosbouwsector in Zuidelijk Afrika. In 2008 beschikte het bedrijf al over een bos in Mozambique van 85.272 hectare. Da’s zo groot als Drenthe, Groningen én Friesland.

Later bleek dat deze investeringen van 47 miljoen euro uitliepen op wat met recht landroof genoemd mag worden. De eucalyptus- en pijnboomplantages van het GSFF voedden een corrupt systeem en verslechterden de toch al precaire levenssituatie van plattelandsgemeenschappen. Boeren werden belaagd, boerderijen verbrand en gewassen vernietigd.

Pas achteraf werd een contract afgesloten met omwonende boeren. Voortaan krijgen ze een redelijke prijs voor het gebruik van hun grond.

In februari 2012 antwoordde Ben Knapen, de toenmalige staatssecretaris van Ontwikkelingssamenwerking, op Kamervragen dat de ambassade op de hoogte was van de conflicten in het gebied, maar niet van deze specifieke investeringen.

Buchanan

Een jaar eerder raakte ook het in Amsterdam gevestigde bedrijf Buchanan Renewables (BR) in opspraak. Samen met de eigenaar van Nuon, het Zweedse Vattenfall, zou dit bedrijf Liberia in recordtempo van z’n natuurlijke hulpbronnen beroven.

Liam Hickey, eigenaar van Buchanan Renewables in Liberia kondigde in 2011 aan ongeveer 250.000 hectare uitgewerkte rubberbomen te kappen en ter plekke te versnipperen. Daarmee is het bijna zo groot als het ABP in Mozambique. In de havenplaats die curieus genoeg eveneens Buchanan heet, gaan de houtsnippers het schip in naar Europa waar ze in de verschillende centrales worden omgezet in ‘groene stroom’.

Nu ligt de export op ongeveer 200.000 tot 500.000 ton per jaar. Met deze 250.000 hectare aan uitgewerkte rubberbomen kan BR nog wel 25 tot 30 jaar vooruit. BR hoopt vanaf 2017 jaarlijks 2 miljoen ton houtchips te exporteren. Voor die hoeveelheid kun je 25 van de grootste vrachtschepen laten varen.

Houtskoolindustrie

De komst van BR vaagde in één klap de lokale houtskoolindustrie weg, die voorheen dreef op de restmaterialen van Firestone. Een rubberproducent met een plantage van een miljoen hectare. BR nam ineens alle restanten en oude rubberbomen over om die te versnipperen en als ‘duurzame’ biomassa te leveren aan elektriciteitscentrales van Vattenfall in Engeland, Zweden, Duitsland en Nederland.

Maar na een stroom van berichten in de internationale pers over fraude, smeergeld en steekpenningen heeft Vattenfall z’n aandelen voor 150 miljoen euro verkocht.

Het verbod om houtskool te produceren gold zelfs voor de moerassen waar Firestone niet actief was. Wie houtskool bleef produceren werd geconfronteerd met strafmaatregelen zoals mishandeling, opsluiting of inbeslagname van het verzamelde hout. Of werd op kosten gejaagd.

De houtskoolprijs is plaatselijk verdrievoudigd doordat houtskoolproducenten voortaan ruim een uur moesten lopen voor geschikt hout.

Tanzania

Tijdens de jatropha-hype van acht jaar geleden kreeg ook het Nederlandse BioShape 81.000 hectare grond toegewezen (half Zeeland) in Kilwa, het armste district van Tanzania. Lokale boeren verbouwden er vroeger maïs, fruit- en noten en gebruikten de bossen voor houtskool, maar werden door Bioshape van hun grond verdreven.

Het tropisch hout in dit gebied werd getaxeerd op 50- tot 150 miljoen dollar. BioShape verkocht het hout aan een timmerbedrijf in Arusha. De meubels uit die fabriek waren bestemd voor de export naar Nederland.

Al bij aanvang van het kappen van het bos en bij het aanplanten van de jatropha, bestemd voor de export naar Nederland en België, maakten Tanzaniaanse politici zich boos dat Bioshape de verwerking van de zaden tot brandstoffen niet in Tanzania zou uitvoeren.

Na een paar jaar was het project al mislukt en het bedrijf failliet. Van de $ 9.6 miljoen die BioShape in Tanzania had gespendeerd, zou slechts $676.000 in het District Kilwa zijn besteed, waarvan de helft naar het Districts Bureau van Kilwa ging.

Van het resterende deel zou uiteindelijk 40 procent bij boeren terecht zijn gekomen van wie eerder het land op illegale wijze was onteigend. Boeren werd een bedrag van 20 dollarcent per jaar per hectare geboden. Uiteindelijk kregen ze er slechts 10.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *